In 1492 stak Columbus de Atlantische Oceaan over en ontdekte Amerika. Vanaf dat moment volgden steeds meer Europeanen zijn voorbeeld. Ze namen bezit van de landen die ze ontdekten. Ze noemden het de Nieuwe Wereld. Dat er al mensen woonden, deed er niet toe. Voortaan was het hun land.
De Portugezen begonnen met het aanleggen van plantages in Brazilië. Een plantage is een groot landbouwbedrijf dat maar één product verbouwt. In Brazilië was dat rietsuiker. De Portugezen werkten zelf niet op de plantages. Daarvoor haalden ze slaven uit Afrika. Andere Europese landen deden al snel hetzelfde. Samen roofden ze in 200 jaar meer dan 12 miljoen Afrikanen uit Afrika. Die werden in grote schepen naar de Nieuwe Wereld gebracht. Nederland deed daar ook aan mee en vervoerde 550.000 Afrikanen.
De Nederlandse slavenhandel begon in 1621. Toen werd de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. De WIC-schepen werden in het begin veel gebruikt door kapers. Kapers waren piraten die met toestemming van de regering rijk beladen schepen aanvielen. Zo veroverde Piet Hein in 1628 de Spaanse zilvervloot.
De WIC-schepen werden ook gebruikt in de oorlog op zee tegen Spanje en Portugal. Zo verloor Portugal Sint George d’el Mina (in Ghana, een land in Afrika) aan de WIC. Delen van Brazilië werden tussen 1624-1654 door de WIC ingenomen. In 1665 kreeg de Republiek koloniën aan de Wilde Kust, waaronder Suriname. Ten slotte kreeg de WIC ook de Antillen in handen: Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba.
De Nederlanders waren al snel belangrijk in dit gebied: als land met veel koloniën én als slavenhandelaar. Tot 1730 was de WIC de enige Nederlandse partij die in slaven mocht handelen. Daarna werd de Middelburgse Commercie Compagnie de grootste Nederlandse slavenhandelaar. Rond 1770 was de Nederlandse slavenhandel op zijn top. Toen werden er ieder jaar zo’n 6.000 slaven vervoerd. Daarna werd het snel minder.
Slaven moeten gedwongen werken. Ze zijn het bezit van iemand en hebben niets te zeggen. Hoe je leeft, waar je woont en met wie: dat bepaalt zijn baas. De Afrikaanse slaven, maar ook hun kinderen en kleinkinderen moesten allemaal voor Europese bazen werken. Ze werkten op plantages waar suiker, koffie, cacao, katoen en tabak werden verbouwd. Of ze werkten in de zoutvijvers van Curaçao of bedienden hun meesters.
Natuurlijk wilden slaven geen slaaf zijn. In Suriname vluchtten veel mensen het oerwoud in. Daar woonden ze in groepen naast de indianen die er al woonden. Er waren overal steeds grote en kleine opstanden. De grootste slavenopstand was in 1795 op Curaçao. De leider heette Tula. Hij had gehoord van de Franse Revolutie en wilde ook vrijheid. Hij had ook gehoord over het succes van opstandige slaven op Haïti. Tula moest het met de dood bekopen.
Aan het einde van de 18e eeuw vonden steeds meer mensen slavenhandel onmenselijk. In het begin wonnen de slavenhouders de discussies nog vaak. Dat stopte toen de Engelsen de slavenhandel in 1814 verboden. Nederland was één van de laatste landen die slavernij afschafte. Dat was op 1 juli 1863.