Een slaaf is een knecht die niets over zichzelf te vertellen heeft. Een slaaf kun je kopen en verkopen, want een slaaf is het bezit van zijn meester. Nederland begon in 1621 met de handel in slaven uit Afrika.
Na 1500 gingen steeds meer Europeanen met een boot de Atlantische Oceaan over. Na een heel lange reis kwamen ze dan in Amerika aan.
Deze Europeanen veroverden grote delen van Amerika. De bewoners van Amerika waren de indianen. Zij vochten met pijl en boog en konden niet op tegen de pistolen en geweren van de Europeanen. Op het veroverde land bouwden de Europeanen al snel plantages. Dit zijn grote velden vol met bijvoorbeeld koffieplanten en suikerriet.
De Europeanen werkten niet zelf op de plantages. Ze haalden daarvoor slaven uit Afrika. Deze slaven werden in grote schepen naar Amerika gebracht. De slaven moesten heel hard werken. En vaak werden ze slecht behandeld. In 200 jaar tijd haalden de Europeanen meer dan 12 miljoen slaven uit Afrika. De Nederlanders brachten 550.000 Afrikanen naar Amerika.
In 1665 veroverden de Nederlanders in Zuid-Amerika Suriname en de Antillen. Ze bouwden er plantages. En haalden slaven uit Afrika om er te werken. Heel veel slaven. Soms kwamen deze slaven in opstand. Dan gehoorzaamden ze hun meesters niet meer en vochten ze voor hun vrijheid.
De grootste opstand van Nederlandse slaven was in 1795 op Curaçao. De leider van deze slaven heette Tula. Hij was heel dapper, maar hij werd door de Nederlanders vermoord. In deze tijd vonden steeds meer landen de slavernij erg slecht. Een mens hoort namelijk vrij te zijn. Veel landen stopten er toen mee en in 1863 liet ook Nederland zijn slaven vrij.