In de tweede helft van de 18e eeuw was de Republiek niet meer zo rijk. Er was zelfs een crisis, het ging slecht met ons land. Veel mensen hadden geen werk en kwamen daarom in opstand. Het einde van de Republiek was dichtbij.
Stadhouder Willem de Vijfde was de schuld van de crisis. Dat vonden boze burgers. Ze vonden dat Willem de Vijfde te veel macht had. Ook al was hij geen koning. Burgers hadden niets te zeggen over het bestuur van het land. Daarom waren ze boos.
De boze burgers noemden zich patriotten. Patriotten zijn mensen die houden van hun vaderland. In 1781 schreven de patriotten een brief. De brief heette: Aan het volk van Nederland. Het was een brief tegen Willem de Vijfde. En tegen zijn macht in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Maar sommige mensen waren het niet eens met de schrijvers van de brief. Zij kozen juist partij voor Willem de Vijfde.
Er was veel discussie. Tussen mensen die vóór Willem de Vijfde waren en mensen die tégen Willem de Vijfde waren, de patriotten. Iedereen voerde felle gesprekken met elkaar. Door deze gesprekken bleek dat mensen trots waren op hun vaderland. Mensen voelden zich niet alleen inwoner van een stad. Of inwoner van een gewest. Maar vooral inwoner van een land.
De patriotten wilden dat de Republiek één land werd. Want de Republiek was nog altijd een groepje gewesten die met elkaar samenwerkten. De patriotten wilden ook macht hebben. Daarom zorgden ze voor wapens. De gewapende patriotten wilden de macht in de Republiek overnemen.
Stadhouder Willem de Vijfde was bang voor de patriotten met hun wapens. Hij vluchtte daarom uit Den Haag. De koning van Pruisen hielp hem nog door in 1787 een leger te sturen. Dit leger moest de patriotten verslaan, dat lukte. Maar een paar jaar later was het toch voorbij met de Republiek. In 1795 kwam Frankrijk de patriotten te hulp en veroverde het ons land.