Nadat de Franse keizer Napoleon in 1813 was verslagen, was Nederland weer zelfstandig. Voor de Franse bezetting was Nederland een republiek geweest. Nu wilde Nederland toch liever een koning. De zoon van de vroegere stadhouder Willem V werd als koning gevraagd. Zijn antwoord was ja en in 1813 werd hij koning Willem I. Nederland was niet langer een groep van gewesten die samenwerkten, maar een echte eenheid. Willem kreeg in het nieuwe land de hoofdrol.
In 1815 werden de 'Oostenrijkse Nederlanden' (wat nu België is)
samengevoegd met het nieuwe Nederland. Daardoor kreeg Nederland in
het zuiden een goede
buffer tegen Frankrijk. Zo ontstond het Verenigd Koninkrijk der
Nederlanden. Voor Europa was het een middelgroot land, maar wel een
met veel
koloniën.
De nieuwe koning ging meteen aan de slag. Hij wilde de oude
rijkdom terugbrengen in Nederland. Al snel kreeg hij de bijnaam
'koning-koopman'. Willem probeerde in elk deel van zijn land - het
noorden, het zuiden en Indië - de sterke kanten van de economie te
stimuleren.
Het zuiden moest zich richten op de productie van allerlei
goederen. In het zuiden was de
Industriële Revolutie al begonnen. De fabrieken daar
moesten zich richten op het maken van allerlei producten. De
handelaren uit het noorden moesten die producten over de hele
wereld verkopen. De inwoners van de koloniën moesten zorgen voor
kostbare goederen zoals zijde, tabak en specerijen.
Koning Willem I liet tussen Noord- en Zuid-Nederland kanalen en
wegen aanleggen. Dat maakte het vervoeren van de producten
gemakkelijk.
Willem I stopte zelf ook veel geld in de handel. Hij richtte in
1824 de Nederlandsche Handelmaatschappij op voor de handel met
Nederlands-Indië. In Indië voerde hij het
cultuurstelsel in. De Indische bevolking moest verplicht een
deel van het jaar voor Nederland werken. De Nederlandsche
Handelmaatschappij verkocht de producten die dit opleverde.
Willem I deed veel goed voor het land. Toch viel hij bij de
Belgen niet in de smaak. Veel Belgen zagen in hem een koning die
alle macht voor zichzelf wilde. Goed ontwikkelde en rijke Belgen
wilden meer inspraak en daar wilde de koning niet van horen.
Ook de Belgische
katholieken waren niet blij met de koning. Willem I was
protestant, maar bemoeide zich toch met de opleiding van de
katholieke priesters.
In 1830 was het genoeg en brak er een
opstand uit. Dit begon in Brussel toen daar in de schouwburg
een lied werd gezongen: 'Amour sacré de la patrie' (Heilige liefde
voor het vaderland).
Willem I stuurde er een leger op af, maar het was al te laat.
België werd onafhankelijk en ging alleen verder. Toch hield Willem
I het leger nog negen jaar op de been. Dit heeft heel veel geld
gekost en hij werd in Nederland minder populair.
In 1839 gaf hij eindelijk toe dat België onafhankelijk was. Een
jaar later deed Willem I diep teleurgesteld afstand van de troon.