Steden als Zwolle, Kampen en Deventer waren vroeger erg rijk. Dat kun je nog altijd goed zien. Bijvoorbeeld aan de mooie huizen en aan de hoge muren rond de stad. Maar hoe werden ze zo rijk?
In 1356 werden Zwolle, Kampen en Deventer lid van de Hanze. Dit was een vereniging van meer dan 70 steden. Ook veel steden uit het buitenland waren lid. Bijvoorbeeld uit Duitsland en Polen. De leden van de Hanze werden Hanzesteden genoemd. En ze hadden maar één doel: samen spullen kopen en verkopen, handel dus. Door samen te werken konden de Hanzesteden meer geld verdienen.
De Hanzesteden deden vooral zaken aan de kust van de Oostzee. Daarom lagen de Hanzesteden vaak aan het water. Denk bijvoorbeeld aan Kampen, Zwolle en Deventer aan de rivier de IJssel. Via de IJssel reisden de Nederlandse handelaars op boten naar de Oostzee. En vandaar zeilden ze naar plaatsen in Denemarken, Zweden en Noorwegen.
De Hanzesteden hielpen elkaar goed. Samen konden de handelaars uit de Hanzesteden bijvoorbeeld veilig reizen. Want piraten durfden een grote vloot schepen niet aan te vallen. Zo werd er veel geld verdiend. Vooral met de handel in vis, hout, bier en graan. De Hanzesteden werden dan ook steeds rijker. Er kwamen grote muren rond de steden. En voor de handelaars kwamen er mooie huizen.
Rond 1500 werden de Hanzesteden minder belangrijk voor ons land. En een eeuw later veroverden Nederlanders gebieden in Azië en Afrika. Uit deze gebieden kwam suiker, peper, koffie en thee. Vooral handelaars uit Amsterdam deden goede zaken en zo werd Amsterdam erg belangrijk voor ons land. De Hanzesteden kwamen op de tweede plaats.