Discussieforum
Reageren
Vensterkalender annex Heldenkalender
Een pak kartonnetjes van niks zo lijkt het, de onlangs bij Entoen.nu verschenen ‘Vensterkalender’, maar een revolutie in het pedagogisch denken kan het inluiden. Het idee is, naar ik mag aannemen, ontleend aan de heldenkalender die ik in 1997 voor het eerst het licht liet zien in het blad Vernieuwing en die ik nog niet zo lang geleden aan Entoen.nu persoonlijk heb doen toekomen. (Ook op dit forum heb ik de suggestie gelanceerd in mijn brief aan Minister Plasterk, getiteld "2 gebreken aan de canon, 9 suggesties voor een cursus".)
Als elke leraar in zijn klas een kalender aan de muur heeft hangen – op zijn bureau heeft staan in dit geval – met daarin de data van de personages die aan de basis staan van de cultuur, zo was de achterliggende idee, dan wordt het mogelijk in de samenleving gedeelde kennis te gaan ‘vieren’ op basis van gemeenschappelijke aandachtsmomenten. Hoe meer zielen hoe meer aandacht voor een thema, deste groter de betrokkenheid en de geheugenwerking. Boekwinkels en bibliotheken, tv-programma’s en evenementen kunnen aan zo’n verjaardagsviering bijdragen. Zelf denk ik het eerst aan Anne Frank (12 juni), Vincent van Gogh (30 maart) en Multatuli (2 maart). Dan aan de bèta-helden (alfa gaat niet voor niets vooraf aan bèta, omdat alfa dikwijls de introductie vormt voor bèta.) Maar ook aan Willem van Oranje (24 april) of Mohammed (Id-ul-Maulid, in 2011 op 15 februari). Een kwartier per ‘viering’ – bijvoorbeeld door het voorlezen van een mooie tekst over de jeugd van de persoon in kwestie – en dat in alle of althans veel klassen in ons land, dat moet een feest zijn. Een kort project of een excursie kan natuurlijk ook. En wat ook kan is ‘Met feest naar school’ lezen van Wim Westerman, voor een rijkdom aan details (alleen nog antiquarisch te verkrijgen).
Voor een verdieping van het onderwerp mogen we zeker het boek van Willem Frijhoff e.a. "Een groot gedruis en eene onbesuisde vrolyckheit" uit 1996 niet onvermeld laten. Anders dan bij Huizinga (en de door mij aangehaalde MacMullen) herkent Frijhoff in zijn artikel Feesten in de 18e eeuw pas in de 16e eeuw een verval van de feestcultuur, zoals die volgens hem nog vitaal gebleven is in de Middeleeuwen. Vooral met betrekking tot de kalenderfeesten biedt Frijhoff een zeer goed bruikbare verdieping.
De kalender geeft ook onpersoonlijke gedenkdagen die, op basis van gegevens van de website Entoen.nu, te vieren zijn, zoals Dag van de arbeid (1 mei), Prinsjesdag (dit jaar 21 september), Keti-Koti (1 juli) en Gedichtendag (27 januari).
Een pedagogiek van ‘viering’ kan de impasse doorbreken van een uit de hand gelopen individualisering van de samenleving en van de kleurloosheid van of onverschilligheid voor leerstofinhouden bij het competentiegerichte leren. Het spelelement, zoals Johan Huizinga zo goed bepleit heeft voor de algemene vorming (zie mijn bijdrage op deze website), kan zo op ordelijke en sociale (‘de canon is voor iederéén’) wijze ingang vinden in het onderwijs. Te zien aan de psyche van de Nederlanders bij het WK is er grote behoefte aan gezamenlijke viering en beleving. Anno 1997 was dat al zo – daarop waren mijn artikelen gestoeld in een aantal tijdschriften over een onderwijsverhaal, een atlas van de heroïek en een heldenkalender – en dat is sindsdien alleen maar toegenomen. Hoeveel sociale en geestelijke armoede kan een samenleving aan, voordat zij zwicht, en het meest voor de hand liggende gaat doen: gedeelde kennis genereren en die vervolgens vieren dat het een lieve lust is?
PS
Wie gemeend heeft in het bovenstaande een rancuneuze toon gewaar te worden heeft gelijk. Niet alleen heeft ondergetekende – als enige en eerste in ons land – voorwerk geleverd voor een heldenkalender, waarbij het doorbreken van een taboe op ‘grote mannen’ bij vooral links georiënteerde historici een issue van belang was (voors en tegens besprak ik in een overigens enthousiast ontvangen artikel in Kleio van oktober 1998 en al eerder in Vernieuwing van april 1997), ook is het concept van een canon door mij onder de noemer van algemeen onderwijsverhaal in de jaren voorafgaand aan Commissie De Wit in meerdere tijdschriftartikelen bepleit. Mijn ingezonden brieven in NRC Handelsblad hebben bij de discussie in die krant niet voor niets een prominente plaats ingenomen. Vanuit een alom heersende verhalenlethargie in het onderwijs zo’n twintig jaar geleden heb ik, met in ons land als enige compagnon op dat terrein Dr. Wim de Haas van de VU, het verhaal als aanvaardbaar onderwijsvoertuig helpen herintroduceren, om in nog geen tien jaar tijds het stokje te zien overgenomen worden door bestuurders en commissies die zo’n blauwdruk van een algemeen verhaal – kom daar maar eens om in landen om ons heen – uitstekend hebben kunnen gebruiken om de alarmerende roep vanuit de samenleving om meer historisch besef te tackelen.
Guido Everts op 12-07-2010, bewerkt op 20-12-2010